Vandaag is het: zondag 18.11.2018

Jezus zegeviert over het kwaad

2014-02-07

Het was een ervaring die ik tot mijn dood zal herinneren. Het gebeurde op de laatste dag van een weeklange retraite voor jonge mannen. Ik wilde dat onze laatste bijeenkomst voor ieder van ons een gelegenheid zou zijn om zich van een zonde te ontdoen.

Eerder op die dag hadden we een bergwandeling gemaakt, en had ik tot hen gezegd: “Iedereen raapt een steen op. Die steen zal staan voor wat ons scheidt van Jezus, een symbool van iets dat instaat tussen ons en een volledig begrip van Hem. Vannacht, zullen we ze tijdens ons laatste gebeden neerleggen in de kapel. Misschien zullen we op deze wijze ten minste een van onze zonden achterlaten.”

Het was inmiddels laat in de avond op de vooravond van Driekoningen. Ik was met de jongens aan het bidden vóór het Heilig Sacrament. Ze waren met zijn twintigen, voor het merendeel leerlingen van de hoogste klassen van de middelbare school. Terwijl ik me afvroeg welke toekomst er voor hen in het verschiet lag, bad ik voor hen in stilte: Jezus, waak over hen. Heilige Geest, leidt hen, schenk aan hen uw gaven van wijsheid, raad en sterkte, en ook vaardigheden… Plotseling werd de stilte van onze meditatie verbroken door een doordringende gil. Ik hoorde het geluid van een steen die de muur achter het altaar raakte, gevolgd door de woorden: “Weer mis, altijd mis ik Hem!”

Ik draaide me om en zag Arthur voorovergebogen tegen de muur, met een van vreselijke stuiptrekkingen verwrongen lichaam, en een afschuwelijke grijns op zijn gezicht. Ik ging naar hem toe. Terwijl ik me naar hem toeboog, siste hij tegen mij: “Weg wezen of ik vermoord je.” Hij rende naar het raam. Ik dacht dat hij eruit zou springen, en schrok want de kapel bevond zich op de vierde verdieping. Ik ben geen exorcist, maar ik begreep onmiddellijk wat de controle van Arthurs lichaam had overgenomen.

“Laten we bidden, laten we samen bidden. ” Dat was het eerste wat me te binnen schoot. “Bidden!” schreeuwde ik tegen de jongens. Maar dat hadden ze zich ook al bedacht. Instinctief vouwden ze hun handen en begonnen te bidden, als met één stem, bijna schreeuwend: “Onze Vader die in de Hemel is…” Ik greep Arthur beet en duwde hem hard tegen de grond. Hij wrong zich in allerlei bochten. Omdat ik me al snel realiseerde dat hij te sterk voor mij was om hem in bedwang te kunnen houden, vroeg ik de jongens om hulp. Toen Jack er aan kwam, hoorden we de volgende dreigende woorden, die duidelijk bedoeld waren om hem af te schrikken: “Ik ken jou, ik ken je zonden, ik ken je verleden, en je zult je schamen.” Dit kan ik niet laten gebeuren, dacht ik, en hield Arthurs mond tegen met mijn hand. Even later, toen ik mijn hand weghaalde, hoorde ik hem de meest verschrikkelijke vloeken en godslasteringen uitschreeuwen die je maar kunt bedenken en die waren gericht tegen God de Vader, Jezus, Onze Lieve Vrouw, en de paus. Die afgrijselijke uitspraken vormden een schril contrast met het gezamenlijke gebed van de andere jongens. We vormden met elkaar een groep. Alleen Peter stond op enige afstand. Arthur keerde zich naar hem toe en keek hem recht in de ogen. Die blik maakte dat Peter meteen een paar meter afstand van hem nam. Hij was doodsbang en wilde de kapel verlaten, maar een van de jongens hield hem tegen. Hierna vormden we een kring en gingen door met bidden. Ik pakte de relieken van St. Faustina, St. Franciscus en Honoratus Kozminski van het altaar en plaatste ze dicht bij het gezicht van de getroffen jongen.

We hoorden een brul, meer vloeken, gelach en toen een vraag waar het demonische sarcasme vanaf droop: “Is dit alles wat je kan bedenken? Weet je geen betere manier van exorcisme?”

Arthurs lichaam begon steeds meer te beven. “Geef me nog een half uur en je zult zien hoeveel van hen bij je gebleven zijn”, zei hij tegen me. “Wie ben je? Hoe heet je?” vroeg ik. “Dat ga ik je niet zeggen.” “Ik beveel je om Arthurs lichaam te verlaten.” “Ok, maar dan ga ik gewoon bij iemand anders naar binnen.” “Hoe heet je?” herhaalde ik. “Beëlzebub”, was het antwoord. “In de naam van Jezus Christus, ik beveel je, Beëlzebub, om Arthurs lichaam te verlaten.” “We zijn met velen”, antwoordde hij. Ik riep me alles weer voor de geest wat ik wist over Arthur, al de problemen waar hij mee te kampen had gehad, en begon toen luid al die problemen bij naam te noemen, een voor een, en behandelde ze als boze geesten. Ik droeg ze op om Arthurs lichaam te verlaten, terwijl ik al die tijd kruistekens maakte met het Heilig Sacrament in de monstrans. Toen Arthur wat rustiger werd, vroeg ik hem om mij na te zeggen: “Jezus is mijn Heer.” “Zeg het, Arthur! Jezus is mijn Heer…” Zijn lichaam kronkelde. Zichtbaar rilde hij, maar je kon zien dat de boze machten zwakker werden. Uiteindelijk fluisterde hij met heel zachte stem: “Jezus is mijn Heer.” Hij herhaalde het: “Jezus is mijn Heer.” De andere jongens zongen luid “Christus zegeviert…” Ik voelde een enorme vreugde in mij opwellen. Maar Arthur fluisterde tegen me: “Vader, er is er nog een…” De strijd begon opnieuw. Plotseling concentreerde Arthurs starende blik zich op een bepaald punt. “Onze Lieve Vrouw is hier” – zei hij. Ik riep tegen de jongens: “Vlug, bidt tot Onze Lieve Vrouw”, en we begonnen Weesgegroeten te bidden. Na enkele minuten werd Arthur rustiger. Toch was er iets over hem dat me zei voorzichtig te zijn. Ik dacht na over andere wijzen om hem te bevrijden. Alsof hij mijn gedachten kon lezen, zie hij me dat hij niet wilde worden bevrijd van de laatste boze geest, want deze was verantwoordelijk voor al zijn kennis. Maar ik was niet bereid om het op te geven. Ik drukte de monstrans hard tegen zijn gezicht aan en beval de geest om uit Arthurs lichaam te vertrekken. “Zeg: de Maagd Maria is mijn Koningin”, zei ik tegen Arthur. Ik kan me niet herinneren hoeveel keer ik deze woorden wel niet heb herhaald. Ik dacht dat een akte van toewijding aan Onze Lieve Vrouw hem zou verlossen van zijn bezetenheid. Nadat hij eindelijk deze woorden had uitgesproken, werd hij helemaal rustig. “Het is voorbij” – zei hij als iemand die volkomen uitgeput was. We pikten hem op en begonnen samen te bidden. Opnieuw plaatsten wij ons vertrouwen in Jezus en Onze Lieve Vrouw. De jongens baden met veel devotie. Sommigen van hen huilden. De hele ervaring had hen duidelijk diep ontroerd. Toch, ondanks de rust en de stilte, kon ik me niet concentreren op het gebed. Ik maakte me zorgen over de jongens. “Waar is de boze geest gebleven?”, vroeg ik mij af. Plotseling kreeg ik een ingeving van de Heilige Geest: de jongens moesten de monstrans aanraken. Dat deden ze, allemaal. Het was toen dat een gevoel van onbeschrijfelijke vreugde en opluchting over ons allen heen kwam. We omhelsden elkaar en schreeuwden het uit van vreugde. Gods liefde leek ons te vullen tot over de rand. Op dat moment verschenen de paramedici, die we eerder hadden gebeld, op het toneel. Ze waren geschokt ons zo te zien – een priester en twintig jongens die achtereenvolgens het uitschreeuwden, elkaar omhelsden en lachten.

Toen we de kapel verlieten, vroeg ik Arthur nogmaals of hij wist waar de boze geest was gebleven. Hij wees naar de stenen. Nog dezelfde nacht dumpten we de stenen in afvalblikken vlakbij het kerkhof. Ondanks zijn verschrikkelijke uitputting en pijn, was Arthur de eerste die die nacht biechtte. De volgende ochtend, lachte hij ons blij toe en groette ons met een opgewekt “Geprezen zij de Heer Jezus Christus!” Ik kon niet nalaten me af te vragen waarom de demon nu juist Arthur had bezeten. Terwijl ik hem naar huis begeleidde, vroeg ik het hem rechtstreeks: “Hoe is het gebeurd?” Hij vertelde me zijn verhaal. Lange tijd had hij geleefd in het geloof dat God hem verlaten had, dat Hij niet langer van hem hield. Op een dag, op een moment dat hij alleen in de kamer was, werd hij er zich van bewust dat er vlak bij hem een geest aanwezig was. In feite had hij deze aanwezigheid al geruime tijd gemerkt. Op dat moment nam Arthur zijn noodlottige beslissing. Hij haalde het kruisje van zijn nek en gaf zichzelf over aan de boze geest, die toen zijn levensgids werd, zijn enige meester. Ik had er eerder nooit veel bij stilgestaan, maar nu realiseer ik me dat naarmate steeds meer mensen zich vervreemden van God, demonische bezetenheid steeds meer voorkomt. Door Gods liefde te verwerpen, stellen de mensen zich open voor de macht van boze geesten. Een exorcist zei laatst tegen me: “Ik kom zoveel gevallen van bezetenheid tegen dat ik ze niet zou kunnen behandelen zelfs als ik het hele jaar door 24 uur per dag zou werken.”

Ik kende Arthur al enige tijd. Op feestjes was hij, zoals ze zeggen, de ‘gangmaker’. Zijn vrienden keken tegen hem op vanwege zijn griezelig rake intuïtie en geweldige geheugen. Hij kon urenlang door praten, mensen advies geven en moeilijke problemen oplossen. Hoe kon hij dat toch allemaal? Nu weet ik dat dit vermogen van de boze geest kwam. Als Arthur niet was genezen van zijn bezetenheid, dat zou hij heel goed een helderziende kunnen zijn geworden of een New Age therapeut. Eenmaal thuis na de retraite raadpleegde Arthur een psycholoog en een psychiater. Ze vonden geen afwijking en verwezen hem door naar een exorcist. Tijdens de exorcisme-sessies sprak de boze geest tegen de priester in het Latijn en het Hebreeuws. Arthur heeft nog een paar sessies te gaan, maar hij zal spoedig een vrij man zijn. De nacht dat alles gebeurde, vertelde Arthur me dat hij niet in zijn kamer ging slapen omdat er op de muur een pentagram was geschilderd.

Nu weet ik dat Satan plaatsen en objecten in bezit neemt die zijn gebruikt om een zonde te begaan. Wanneer we een zonde begaan, op een bepaalde plaats, of met een bepaald voorwerp, dan plaatsen we deze dingen onder Satans controle, juist zoals het zegenen van een plaats of voorwerp ze onder Gods controle plaatst. We zouden eigenlijk geregeld de ruimtes waarin we wonen moeten toewijden aan God. Er is veel wijsheid in de leer van de Kerk om ten minste eenmaal per jaar onze huizen te zegenen. Ik begreep nooit waarom mijn tante altijd over het deurkozijn met een kaars een kruisteken maakte op het feest van de Opdracht van Heer in de tempel.

Nu weet ik waarom we onze deurkozijnen merken met heilig krijt en waarom we kruisen ophangen boven de deur. We moeten ons herinneren dat kruisen en heilige afbeeldingen er zijn om ons te beschermen tegen boze geesten. Het is jammer dat er in onze ‘huiskerken’ geen wijwaterbakjes en relieken zijn.

Als we deze sacramentaliën aanvaarden als gaven die zijn bedoeld voor onze bescherming, onderstrepen we de diepte van Gods vernedering van Satan. Satan wordt gedwongen om te gehoorzamen aan al degenen die handelen in de naam van Jezus.

 

Fr. Marek Jarząbek S.Chr.

vorig teruggaan

Copyright © Wydawnictwo Agape Sp. z o.o. ul. Panny Marii 4, 60-962 Poznań, tel./ fax: 61/ 852 32 82 | tel. 61/ 647 26 86