2018-3 Jeugd

Wees zoals Frassati!

Hij was nauwelijks 24 jour oud, maar dat was genoeg om een heilige te worden. Hij werd door Johannes Paulus II in 1990 zalig verklaard en aan jonge mensen als voorbeeld gesteld om na te volgen.

In verband met Pier Giorgio zei de Paus: „In mijn jeugd heb ook ik de weldadige invloed van zijn voorbeeld ervaren en als student was ik onder de indruk van de kracht van zijn christelijke getuigenis”. Wie was deze heilige, die een bron van inspiratie vormde voor de jonge Karol Wojtyła?

„Misschien heeft de Heer Jezus hem naar ons gestuurd?”

Pier Giorgio Frassati werd op 6 april 1901 in Turijn geboren.

Zijn moeder was een getalenteerde schilderes. Zijn vader Alfredo kwam uit een intellectuele familie en was de oprichter van „La Stampa”, een dagblad dat vlug een van de meest gelezen kranten werd in Italië.

Reeds als kind kwam Pier op voor wie onrecht werd aangedaan. Hij werd kwaad wanneer zijn leeftijdsgenoten of zijn zus iemand onrechtvaardig behandelden. Toen hij vier was, belde er een bedelares aan bij de familie Frassati. Zij had een blootvoets kindje in haar armen. Toen de jongen dit zag, trok hij vlug zijn schoenen en kousen uit, gaf ze aan de vrouw en deed vlug de deur dicht, zodat niemand hem kon verhinderen deze goede daad te verrichten.

„Rond een arme of iemand die getroffen is door ongeluk zie ik een speciaal licht dat wij niet bezitten”

Een andere keer verscheen er een arme man, gekleed in lompen. Hij zei dat hij honger had en vroeg om een paar lires. De vader van Pier Giorgio merkte dat de man dronken was en weigerde hem iets te geven en riep daarbij de man nog een paar bittere woorden toe. De jonge Frassati die getuige was van dit voorval, barstte in tranen uit en liep naar zijn moeder met de woorden: „Mamma, er is een hongerige man en papa wil hem niets te eten geven”. Hij voegde er bezorgd aan toe: „Misschien heeft de Heer Jezus hem naar ons gestuurd?”. Zijn moeder antwoordde: „Ga hem halen en breng hem hier, we zullen hem te eten geven”.

„Hij is de Koning der Koningen”

In juni 1911 deden Pier en zijn zus Luciana, die een jaar jonger was, hun Eerste Communie. De priester die de kinderen voorbereidde op dit sacrament herinnert zich: „Pier vroeg me soms speciaal om hem iets te vertellen over de Heer Jezus. Terwijl hij luisterde, straalde zijn gezicht van blijheid en hij riep dan »wat mooi!«. Maar als het een verdrietig verhaal was, stond de droefheid op zijn gezicht te lezen en er rolden dikke tranen over zijn wangen, iets wat hem niet in verlegenheid bracht en waar hij zich niet voor schaamde”.

Pier Giorgio stond er nooit bij stil wat de anderen van hem dachten – in heel zijn leven paste hij slechts een regel toe: Wat zal God van mij denken?

De eerste ontmoeting met God was voor Pier een heel plechtige gebeurtenis. Op een zekere dag ging de priester met het Allerheiligste Sacrament door de kapel en een van de kloosterzusters zei: „Onze heer gaat ons voorbij, laten we knielen zoals dat betaamt voor de koning”, waarop Pier luid riep: „Hij is de Koning der Koningen!”

Strenge opvoeding

Zijn vader was er van overtuigd dat Pier ooit de leiding van „La Stampa” zou overnemen. Toen later echter bleek dat zijn zoon hier weinig talent voor had, begon de ontgoochelde vader hem heel koel te behandelen en bij elke gelegenheid te vernederen.

Ook zijn moeder voedde haar kinderen heel streng op; het ontbrak haar aan gevoelige moederliefde. Wanneer Pier weer eens te laat kwam voor het eten, zei ze: „Tja, het is altijd hetzelfde… hij zit met zijn hoofd in de wolken, hij weet precies wanneer de mis is, maar om op tijd aan tafel te komen, dat niet…”.

Thuis werd Pier niet aangemoedigd om zijn geloof te ontwikkelen. Toen zijn vader hem op een avond voor zijn bed geknield zag zitten, met een rozenkrans in zijn handen, reageerde hij niet maar later drukte hij wel zijn ergernis uit tegen de pastoor: „Wel, wat hebben jullie van mijn zoon gemaakt?”.

Pier was zijn ouders absoluut gehoorzaam en hij hield van hen hoe ze waren. Hij droeg zijn strenge opvoeding met geduld en hoewel hij vaak werd terechtgewezen, accepteerde hij dit met nederigheid en groot respect, hij sprak altijd met liefde over zijn ouders. Hij leed enorm onder het feit dat zijn vader niet gelovig was en hij bad dan ook voortdurend voor hem.

God op de eerste plaats

Zijn moeder stuurde hem naar een middelbare school die door de Jezuïeten werd geleid. Sindsdien ging Pier Giorgio elke dag te communie. In de school waren er verschillende religieuze verenigingen actief en hij engageerde zich intensief (hij was o.a. werkzaam in de Vereniging van het Allerheiligste Sacrament en de Vereniging van het Apostolaat van het Gebed). In een speciaal schrift hield hij de namen bij van degenen die hulpbehoeftig waren. Om de werkzoekenden te helpen, verzocht hij zijn vader om desbetreffende advertenties in „La Stampa” te plaatsen.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, schreef Pier Giorgio zich in voor een voorbereidingscursus landbouw, zodat hij in geval van nood de landbouwers zou kunnen vervangen die door het leger werden opgeroepen.

In mei 1918 sloot hij de middelbare school af met een zeer goed resultaat, tegen de verwachtingen in van zijn familie. De dagen van Pier waren nu gevuld met heilige missen, gebeden, hupverlening aan de armen en zieken, maar hij vond ook nog tijd om te studeren. Pier droomde ervan om priester te worden. Hij begreep echter dat zijn toetreding tot het seminarie, tegen de wil in van zijn ouders, een veel te grote schok voor hen zou zijn. Daarom besloot hij om mijningenieur te worden en op die manier de hardwerkende mijnwerkers te helpen en te evangeliseren.

Hij bekende zich tot zijn geloof met trots. „Als je in je leven God op de eerste plaats stelt, behaal je de overwinning”, zei hij tegen zijn collega’s. Wanneer hij een kerk passeerde, maakte hij met veel eerbied een kruisteken en ging vaak binnen om te bidden. Priester Marian Frassati, vicaris van de parochie Pollone, vertelt over hem: „Alleen maar de kerk begroeten was niet genoeg voor hem. Als hij even tijd had, ging hij naar binnen, knielde neer en begon vurig te bidden; ik moest hem altijd stevig schudden opdat hij zou opstaan”. Wanneer hij tijdens zijn bergwandelingen zijn vooropgestelde doel had bereikt, knielde hij en zong een kerkhymne of religieus lied en de anderen volgden hem daarin. In bijna elk van zijn brieven valt zijn geloof en liefde tot God af te lezen. Aan zijn vriend Almanzo schreef hij: „Ik leid een monotoon leven, maar van dag tot dag leer ik steeds beter kennen hoe groot Gods genade is dat ik katholiek ben. Ach, hoe beklagenswaardig en ongelukkig zijn de mensen die geen geloof hebben. Een leven zonder geloof, zonder het bezit van die erfenis die men altijd moet verdedigen, is geen leven, dat is vegeteren. Wij mogen niet vegeteren. Ondanks de ons omringende waan mogen we niet vergeten dat wij de waarheid, het geloof en de hoop bezitten om het echte vaderland te bereiken. Weg daarom met neerslachtigheid, die alleen daar bestaat waar geen echt geloof is”.

Gebed

Pier Giorgio was een man van het gebed. Hij ging slapen met het gebed en stond vroeger op om tijd te hebben voor een gesprek met God. In veel van zijn brieven vraagt hij om een gebed voor zichzelf en belooft anderen dat hij voor hen zal bidden: „Ik verzoek je om veel voor mij te bidden omdat ik dit beslist nodig hem om Gods gratie af te smeken, zodat ik mijn plannen tot een goed einde kan brengen… Alleen gebeden maken dat God mij de gewenste vooruitgang zendt”. Elke dag is een aanhoudende dialoog met God: tijdens de heilige Mis, de aanbidding, tijdens de lectuur van de Bijbel of tijdens de rozenkrans, een van zijn meest geliefde gebeden die hij heel vaak bad: wanneer hij naar het heiligdom in Oropa ging, tijdens wandelingen, ritten met de tram of trein en ook ’s avonds op zijn knieën. Hij toonde zijn rozenkrans en zei dan: „Ik heb mijn testament altijd op zak”. Hij moedigde ook anderen aan om te bidden. Zijn zus vertelt: „We maakten eens een uitstap naar de Monte Mucrone, en we waren doodmoe toen we aankwamen bij de berghut waar we van plan waren te overnachten. Nauwelijks hadden Anna Maria, Banzatti en ik ons uitgestrekt op de stapelbedden toen Pier Giorgio ons vermaande: »Nu bidden we de rozenkrans«. We probeerden samen met hem de rozenkrans te bidden, zonder veel enthousiasme en we gaven het vlug op, we vertrouwden onze gebeden aan zijn stem toe”.

Pier Giorgio behoorde tot de sectie van de nachtaanbidding, waaraan hij vreugdevol deelnam. Wanneer hij dan naar huis terugkeerde, straalde hij van geluk en neuriede een lied uit de Eucharistie. Bij afscheid van zijn vrienden zij hij in plaats van het gewoonlijke „tot ziens” altijd: „Lang leve Jezus”.

„Geen enkel mens mag in nood verkeren”

Pier Giorgio was al sinds kind bijzonder gevoelig voor armoede en ontbering. De jongen zei ooit tegen een van zijn vrienden: „Geen enkel mens mag in nood verkeren”. En inderdaad, als iemand hulp nodig had, reageerde Pier onmiddellijk. Hij stond anderen vaak ter zijde en gaf meer dan men verwachtte. Hij zocht zelf mensen die hij kon helpen en om niemand te vergeten, maakte hij aantekeningen. Wanneer hij iets beloofde, hield hij zich aan zijn woord.

„Het was onmogelijk om de naastenliefde, vroomheid en intelligentie van Pier Giorgio niet te waarderen, maar zijn zuiverheid van hart viel zelfs de meest onoplettende waarnemer op” (Luciana Frassati)

Toen hij nog op de middelbare school zat, schreef hij zich in voor de Conferentie van St. Vincentius a Paulo. Deze vereniging hield zich bezig met het organiseren van liefdadigheidsacties voor de armen. Op de vraag: „Hoe kun je met een glimlach die spelonken binnentreden, waar het zo benauwd is dat je nauwelijks kunt ademhalen?”, antwoordde hij met een citaat uit het Evangelie: „Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van Mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan”.

Ondanks de welstand waarmee hij thuis kon omringd worden, koos Pier Giorgio ervoor om in armoede te leven. Zo gebeurde het dat hij tijdens de vrieskou naar huis terugkeerde zonder jas of zonder schoenen omdat hij ze aan een of andere armzalige had gegeven. Hij zocht werk voor de werklozen, riep een dokter of priester bij de zieken of probeerde voor hen een plaats te vinden in het ziekenhuis. Hij hielp zowel kinderen uit ontwrichte gezinnen als degenen die buiten de wet stonden. In het klooster van de Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis waren er enkele weeskinderen die hij onderhield. In de boekenwinkel kocht hij misboeken, evangelies en de boekjes Over de Navolging van Christus waarbij hij de adressen opgaf van degenen voor wie de boeken waren bestemd. Voor arme medestudenten kocht hij boeken, hij betaalde hun collegegeld en probeerde hen bijlessen te vinden.

De woorden van Christus over naastenliefde waren zijn levensregel. Hij schreef de Hymne over de liefde van St. Paulus op een papier en bevestigde het op de deur van zijn kamer zodat hij die altijd kon zien. Hij zei: „Rond een arme of iemand die getroffen is door ongeluk zie ik een speciaal licht dat wij niet bezitten”.

Pier Giorgio beperkt zich niet alleen tot materiële steun aan de armen: hij begreep dat het soms genoeg was om bij hen te blijven en naar hen te luisteren; om hen het gevoel te geven dat ze niet alleen zijn in die armoede waartoe ze veroordeeld zijn – armoede veroorzaakt door minachting en eenzaamheid. Altijd vriendelijk en onbaatzuchtig wist hij de wanhopigen te troosten, hen met hoop te vervullen en hen moed te geven. In heel delicate situaties voelde hij zich niet gekrenkt en liet zijn verwondering niet merken.

Pier Giorgio stond er nooit bij stil wat de anderen van hem dachten – in heel zijn leven paste hij slechts een regel toe: Wat zal God van mij denken? Wanneer hij wist dat hij voor God werkte, was er niets dat hem kon tegenhouden: noch de spot noch de verbazing van degene die hem kende en zag hoe hij een kar trok met meubels voor de armen.

Liefde voor de Eucharistie

De Eucharistie vormde het middelpunt van Piers geestelijke leven. Vanaf het moment dat hij begreep wat de heilige Mis betekende, waardeerde hij haar en had haar lief. „Ik nam vaak deel aan bergtochten met Pier Frassati – vertelt zijn leraar Antonio Fossati – Tijdens elke wandeling stonden wij verbaasd over zijn fysieke en morele kracht, want hij wilde absoluut het voorgenomen doel bereiken op een nuchtere maag, zodat hij daarna te communie kon gaan. Wat de anderen van hem dachten, deerde hem helemaal niet. Zijn volstrekte oprechtheid verbaasde en versterkte ons”.

De heilige communie hielp Pier het hoofd te bieden aan elke nieuwe dag om alle moeilijkheden te overkomen. Hij verzocht de anderen: „Gebruik dit brood der engelen en jullie zullen er kracht in vinden om inwendige strijden te beslechten, strijden met hartstochten en allerlei tegenslagen, want Jezus Christus beloofde aan diegenen die zich met de Allerheiligste Eucharistie voeden, de nodige genade om tot het eeuwige leven toe te treden. Wanneer de vlam van de Eucharistie jullie helemaal verteert, kunnen jullie God in alle geweten bedanken, Hij die jullie geroepen heeft om Hem te dienen, en jullie zullen genieten van de vrede zoals degenen die in de ogen van de wereld gelukkig zijn, dit nooit hebben gekend, want echt geluk bestaat niet uit werelds vermaak en aardse zaken, maar uit gemoedsrust, die ons alleen maar wordt gegeven als ons hart en onze geest zuiver is”.

Zuiverheid

Luciana schrijft: „Het was onmogelijk om de naastenliefde, vroomheid en intelligentie van Pier Giorgio niet te waarderen, maar zijn zuiverheid van hart viel zelfs de meest onoplettende waarnemer op. Dit was zijn meest »zichtbare« deugd, heel zijn persoon was er mee doordrenkt, en zijn zuiverheid was nog sterker dan zijn aangeboren bescheidenheid, groter en beter dan gewone schaamte”.

„Ware het niet dat ik verplichtingen had, zou ik de dagen in de bergen doorbrengen, de zuivere lucht opnemen en me bezinnen over de grootsheid van de Schepper”

Ook de brieven van Pier aan zijn vrienden getuigen van de zuiverheid, waarmee zijn hele leven doordrenkt was. Onder de oordelen die zijn biechtvaders van hem hadden, is ook die van de pastoor uit Forte: „Ik verraad geen geheim als ik zeg dat Pier in augustus 1924 nog even onschuldig was als op de dag van zijn geboorte”. Zijn kennissen konden zich geen enkel gesprek herinneren waarin Pier ook maar een onbetamelijk woord gebruikte. Ook zijn ontelbare grappen waren steeds in overeenstemming met zijn zuiverheid.

Pier was van nature een vrolijk mens. Waar hij zich bevond, was er altijd veel gelach. Weinigen wisten echter dat hij meer redenen tot verdriet had dan de doorsnee mens, maar hij was zo beheerst dat hij het niet liet kennen als er iets met hem mis was. Hij stelde zich als taak om door vreugde zijn naasten voor God te winnen.

Liefde voor de bergen

Sinds hij klein was hield Pier van buitenactiviteiten en sport. Hij was hiervoor bijzonder begaafd; hij was gezond en goed gebouwd. Als jongetje speelde hij vaak voetbal. Hij was gefascineerd door fietsen, waarbij hij de prachtige sub alpine landschappen kon bewonderen. Wanneer hij een steile helling afreed, zong hij genietend uit volle borst. Hij was een eersteklas ruiter en ook een goede zwemmer.

De grootste passie van Pier was echter alpinisme: bergtochten, toppen bereiken, skiën. Over deze liefde schreef hij vaak in brieven aan zijn vrienden: „Met elke dag wordt ik steeds enthousiaster over de bergen. Hun bekoorlijkheid boeit me. Ik wil ze beter en beter leren kennen, de minst bereikbare toppen bemachtigen en daar genieten van de pure vreugde die men alleen op zulke hoogtes kan voelen… Ware het niet dat ik verplichtingen had, zou ik de dagen in de bergen doorbrengen, de zuivere lucht opnemen en me bezinnen over de grootsheid van de Schepper”.

De mooiste dag

Na de dood van een vriend die aan tuberculose overleed, schreef Pier: „De dood is een zonderling mysterie, de dood kiest niet. Ook mij zal de dood ooit naderbij komen en in korte tijd mijn lichaam in stof veranderen. Maar buiten het lichaam bestaat de ziel en we moeten al onze krachten bundelen opdat we zonder schuld voor Gods Gerechtigheid kunnen staan. Vanaf vandaag zal ik me elke dag een beetje voorbereiden op de dood, zodat ik niet onvoorbereid ben wanneer dat moment aanbreekt, zodat ik geen spijt moet hebben van mijn mooie jaren der jeugd die ik verspild heb voor de geest”.

Een andere uitspraak van Pier getuigt over zijn diepe, geestelijke rijpheid: „De dag van mijn dood zal de mooiste dag in mijn leven zijn”. En die dood kwam er heel snel. Op 24-jarige leeftijd werd Pier ernstig ziek, hij was bij een arme zieke besmet geraakt met de ongeneeslijke ziekte van Heine-Medin. Hij overleed op 4 juli 1925.

Het nieuws van zijn dood verspreidde zich snel in Turijn. Op zijn begrafenis waren er menigten aanwezig en er stond een lange rij voor zijn doodskist aan te schuiven. Er waren ook veel armen aanwezig over wie Pier zich had ontfermd. Men herhaalde van mond tot mond: „Hij was een heilige”. Op zijn grafsteen staan de woorden van de engel na de verrijzenis van Christus: „Waarom zoekt gij de levenden onder de doden?”.

Paus Franciscus beschreef hem als volgt: „Pier Giorgio was een jonge man die begreep wat het betekende een barmhartig hart te hebben, gevoelig voor de meest behoeftigen. Hij gaf hen veel meer dan alleen maar materiële schenkingen, hij gaf zichzelf, zijn toegewijde tijd en woorden, zijn vermogen om te luisteren. Hij diende de armen met grote discretie en pronkte er nooit mee. Hij leefde echt het Evangelie”. Omwille van zijn vele pluspunten moedigde de Heilige Vader de jeugd aan: „Wees zoals Frassati!”.

Bronnen: J. Misiurek, Błogosławiony Piotr Jerzy Frassati (1901–1925), Lublin 2012, L. Frassati, Pier Giorgio Frassati: człowiek ośmiu błogosławieństw, Warszawa 1999, K. Strzelecka, Frassati, Warszawa 1989.