2018-3 Geschiedenis

Bewegingen die goddeloosheid steunen – korte geschiedenis (deel II)

jul 01, 2019 Grzegorz Kucharczyk

De laïciseringscampagnes die de Europese landen in de negentiende eeuw overspoelden, werden vergezeld van uitbarstingen van militante goddeloosheid en zelfs regelrecht satanisme. In deze context kon een zekere regelmaat worden vastgesteld: hoe meer geconsolideerd de katholieke geestelijke en culturele traditie was in het land dat onderworpen was aan van bovenaf opgelegde laïcisering, des te drastischer waren de antireligieuze demonstraties.

Waarom is een overleden paus zo gevaarlijk?

Een goed voorbeeld hiervan zijn de Italiaanse staten (in de negentiende eeuw, zelfs tot het jaar 1870, was het Apennijns Schiereiland politiek verdeeld). De drijvende kracht achter het antikatholieke beleid dat een aanvang nam vanaf de jaren vijftig van de negentiende eeuw, was het door opeenvolgende liberale equipes geregeerde Piëmont, dat op zijn grondgebied een antikerkelijke wetgeving introduceerde: verdrijving van monniken, confiscatie van kerkelijke bezittingen, het verwijderen van de Kerk uit staatsscholen en de vermindering van het katholiek onderwijs. Met de procedure van de eenmaking van Italië die deze staat in de jaren zestig van de negentiende eeuw voerde, werd deze antikatholieke wetgeving ook in andere gebieden van Italië van kracht, waaronder het pauselijke Rome dat door Piëmont in september 1870 werd geannexeerd.

Om de persoon van de bisschop van Rome te vernederen, schrok men niet terug voor spot en hoon

Het geweld tegen katholieken (geestelijken en leken) werd niet alleen uitgeoefend door de organen van de overheid (eerst Piëmont en vervolgens het eengemaakt Italië), maar eveneens door verscheidene antikatholieke milieus die de liberale regering steunden. Hedendaagse onderzoekers van het fenomeen van het Italiaanse anticatholicisme wijzen erop dat het straatgeweld tegen katholieken een speciaal kenmerk was van de Italiaanse kulturkampf in de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Alleen al in de jaren 1870- 1881 kwam het in Rome tot dertig gevallen van verbaal en fysiek geweld tegen geestelijken (in de jaren 1870- 1873 werden bijvoorbeeld de erediensten in de Roomse kerk Il Gesu van de jezuïeten regelmatig verstoord; de aanvallen hielden op nadat de jezuïeten in 1873 uit Rome verdreven waren). Aanvallen op processies bijvoorbeeld waren schering en inslag, of de processie nu was ter gelegenheid van Sacramentsdag of van andere kerkelijke feesten. Tot dit soort fysieke aanvallen op processiedeelnemers kwam het in 1877 in Turijn (tijdens een poging om met een plechtige processie het vijftigjarig jubileum van de bisschopswijding van Pius IX te vieren) en in 1885 in Genua (hier kwam het tot een aanval op de deelnemers aan de processie ter gelegenheid van Sacramentsdag). Na 1870 vernielden „ongekende daders” in vele Italiaanse steden (waaronder het tot voor kort pauselijke Rome) massaal afbeeldingen en beelden van de Moeder Gods.

Alleen al in de jaren 1870- 1881 kwam het in Rome tot dertig gevallen van verbaal en fysiek geweld tegen geestelijken

Kenmerkend is dat het fysiek geweld tegen katholieken geenszins beperkt bleef tot de levenden. Dit geweld was eveneens gericht op gestorvenen, vooral op wie zich door hun standvastige verdediging van het geloof ongeliefd maakten bij de auteurs van de van bovenaf opgelegde antikatholieke „cultuuroorlog”. Tijdens heel zijn lange pontificaat vervulde zalige paus Pius IX (1846-1878) deze functie. Hij was een onvermurwbare verdediger van de katholieke rechtgelovigheid en ook diegene die de dwalingen van de liberale ideologie (de beroemde Syllabus van 1864) ontmaskerde. Toen de stoffelijke resten van deze zaligverklaarde paus op 13 juli 1881 in Rome van de Sint-Pietersbasiliek naar de Basiliek van Sint-Laurentius in een processie werd overgebracht, werd deze optocht aangevallen door een antikatholieke knokploeg die riep: „Leve Garibaldi!”, „Dood aan de paus!”, „Weg met de priesters!”, „Gooi dat lijk in de Tiber!”. Alleen dankzij de ferme houding van de gelovigen die de kist met het lichaam van de zalige Pius IX afschermden, kon deze laatste aankondiging niet gerealiseerd worden. De katholieke pers informeerde nadien dat de vierhonderd knokkers die aan dit incident deelnamen, van de Italiaanse vrijmetselarij elk een beloning van achtduizend lire zouden krijgen voor hun poging om de pauselijke sarcofaag in de Tiber te werpen.

Nobelprijswinnaar satanist

Dergelijke gewelddaden waren het resultaat van de consequente en systematische antikatholieke propaganda die een aantal decennia lang (met bijzondere intensiteit na 1848) op het Apennijns Schiereiland werd gevoerd. Deze nam vaak een heel brutaal en vulgair karakter aan. In de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw ontstonden in heel Italië „antiklerikale verenigingen”, onder het patronaat van de Italiaanse vrijmetselarij (Grande Oriente d’Italia). Op deze manier werd het militante antikatholicisme verspreid.

Lezers van de liberale pers (…) gaven op hun manier blijk van hun gehechtheid aan de „moderne beschaving” die bedreigd werd door de invasie van „achterlijkheid”. Zo gingen ze de kerk binnen tijdens erediensten en wilden opvallen door hun hoofdbedekking aan te houden, sigaretten te roken en luid te praten

De populariteit in deze kringen van het werk van Giosuè Carducci – vrijmetselaar, dichter en een overtuigd satanist – is in deze context vermeldenswaard. In 1863 publiceerde hij zijn Lofzang op Satan, die gedurende de volgende decennia eveneens de hymne van alle voorstanders van het „progressieve en antiklerikale Italië” was. In 1869, precies op het ogenblik van de opening in Rome van de zitting van het Eerste Vaticaans Concilie, herdrukte de antikatholieke Italiaanse pers dit satanische werk van Carducci. Laten we er nog aan toevoegen dat deze dichter in de jaren tachtig van de negentiende eeuw benoemd werd tot voorzitter van de onder de liberale regering functionerende onderwijsraad en in 1906 bekroond werd met de Nobelprijs voor de literatuur.

„Ik ben tegen bloedvergieten! Ik weet echter niet of Italië kan worden bevrijd van de tirannen van haar ziel en lichaam zonder hen te vernietigen, zonder hen tot de laatste uit te roeien!” G. Garibaldi

Zoals hierboven vermeld, riepen de knokkers die het lichaam van Pius IX in de Tiber trachtten te werpen: „Leve Garibaldi!”. Giuseppe Garibaldi – „vader van het eengemaakt Italië” (hij functioneert nog steeds als dusdanig in de officiële interpretatie van de geschiedenis van Italië), was niet enkel de aanvoerder van de „roodhemden”, maar ook een hooggeplaatste vrijmetselaar en voorstander van het militante antikatholicisme. Hij hield zich ook bezig met schrijven (of eigenlijk prulschrijven). In een van zijn romans, gepubliceerd in 1860, deed hij de volgende oproep: „Dood aan de priesters! […] Wie anders dan een lid van deze sinistere sekte die van Italië een dodenland en kerkhof heeft gemaakt, verdient de dood? […] Ik ben tegen bloedvergieten! Ik weet echter niet of Italië kan worden bevrijd van de tirannen van haar ziel en lichaam zonder hen te vernietigen, zonder hen tot de laatste uit te roeien!”

Duitse liberalen: val de „gebedsindustrie” aan

Dit fenomeen van het nauwe verband tussen de groei van antikatholieke propaganda en fysieke aanvallen op katholieken nemen we ook waar in de Duitse (Pruisische) Kulturkampf. Deze Kulturkampf begon in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, maar de voedingsbodem ervan werd reeds veel eerder door de liberale pers voorbereid. Een veelzeggende gebeurtenis vond plaats op 16 augustus 1869 in de Berlijnse wijk Moabit. Na een massabijeenkomst van de liberale Berliner Arbeiterverein vernielden een paar duizend demonstranten het Dominicaanse klooster en weeshuis, dat hetzelfde jaar in deze industriële wijk van Berlijn geopend was.

Voordat het tot de onlusten kwam, verschenen in de liberale pers reeksen artikelen over de gevaren die de achterlijke en ouderwetse katholieke cultuur (in dit geval belichaamd door de Dominicanen, aan wie onder andere verweten werd dat zij precies in de zestiende eeuw – nog vóór de jezuïeten – de voornaamste tegenstanders van Martin Luther waren geweest) meebracht voor de Duitse, moderne „Kultur”. Moabit werd in deze tijdschriften voorgesteld als het „nieuwe Jeruzalem” – de ontwikkelingsplaats voor de moderne, industriële beschaving, als in karikaturaal contrast met de zogenaamde „rotte katholieke cultuur”.

Begin augustus 1869 benadrukte een van de grootste liberale kranten in Pruisen, „Vossische Zeitung”, dat „de gebedsindustrie zich vestigde, om de rozenkrans te zingen en de vijf wonderen van Christus te contempleren” in Moabit, een wijk van Berlijn dat „de zetel van de hoogconjunctuur” was en „rijkdom en welvaart aan duizenden mensen garandeerde”. Voordat het tot de vernieling van de zetel van de Dominicanen op 16 augustus 1869 kwam, gaven de lezers van de liberale pers (met name van de tabloids, d.w.z. de satirische pers in de aard van „Kladderadatsch” of „Berliner Wespen”, die toen ontstonden) op hun manier blijk van hun gehechtheid aan de „moderne beschaving” die bedreigd werd door de invasie van „achterlijkheid”. Zo gingen ze de kerk binnen tijdens erediensten en wilden opvallen door hun hoofdbedekking aan te houden, sigaretten te roken en luid te praten.

De auteurs van deze antikatholieke propaganda omzeilden zorgvuldig het voor hen oncomfortabel feit van de systematische groei van de katholieke populatie in Berlijn. In 1821 woonden in de hoofdstad van Pruisen bijna achtduizend katholieken, maar in 1868 waren ze al met meer dan 56.000 (ook zeker dankzij de migratie van Polen uit de landen van het door Pruisen geannexeerde deel van Polen).

Voordat het tot de onlusten kwam, verschenen in de liberale pers reeksen artikelen over de gevaren die de achterlijke en ouderwetse katholieke cultuur (…) meebracht

Karakterisitiek was ook de reactie van de liberale pers op de vermelde aanval op het Dominicaanse klooster. De Klostersturm van Moabit werd over het algemeen voorgesteld als een „spontane daad van woede van het Berlijnse volk”. De liberale pers distantieerde zich van het geweld als dusdanig, maar bijvoorbeeld de „Volks-Zeitung” schreef drie dagen na de aanval dat men ook begrip moest hebben voor de „weerzin die dit instituut [het Dominicaanse klooster – noot van mij: G.K.] dat uitsluitend bestemd was voor contemplatieve inactiviteit, bij het protestantse deel van de werkende bevolking opwekte”.

Zoals in Italië was zalige Pius IX ook in het door Pruisen eengemaakte Duitsland het voorwerp van de bijzonder intense activiteit van de antikatholieke „industrie van de minachting”. Om de persoon van de bisschop van Rome te vernederen, schrok men niet terug voor spot en hoon. Zo dreef bijvoorbeeld de Berlijnse „Börsen-zeitung” in 1872 de spot met de traditionele benaming van de paus „Heilige Vader” door te beweren dat dit in strijd was met het katholieke principe van het celibaat van priesters. In plaats daarvan stelde de krant „Heilige Oom” voor als pauselijke titel.

Er werd ook gespot met de hoge leeftijd van Pius IX (zoals we weten uit de ervaringen van de laatste jaren van het pontificaat van Johannes Paulus II was hij niet de laatste paus die hiermee te maken had). Heinrich von Treitschke bijvoorbeeld, een van de grootste historici in het negentiende-eeuwse Duitsland en een liberale politicus, noemde Pius IX in zijn publicaties een „onberekenbare, dwaze oude man”. Zelfs jaren later wekte het uiterlijk van de paus op hoge leeftijd de ergste esthetische associaties bij de militanten tegen de „ultramontanistische bedreiging” (zo werd de katholieke cultuur in het liberale jargon genoemd).

In het begin van de twintigste eeuw beschreef Paul von Hoensbroech, een ex-jezuïet en onvermoeibare militant voor de bevrijding van de Duitse cultuur van de „ultramontanistische besmetting”, zijn bezoek aan Rome in 1876, twee jaar vóór de dood van Pius IX, als volgt: „Het uiterlijk van Pius IX op hoge leeftijd was niet bekoorlijk: klein, gebukt, gezwollen gelaat met verzakte trekken; open mond waaruit onophoudelijk iets lekte; zichtbare sporen van snuiftabak rond de neus, op het gelaat en op de witte soutane, lelijke, onwaardige manier van stappen”.