2018-3 Goddelijke Barmhartigheid

Over barmhartigheid voor de ontmoedigden

jul 01, 2019 Maria Zboralska

God wacht in het bijzonder op al diegenen die verdwaald zijn. Hij wil hun wonden genezen met de olie van Zijn mededogen.

Ik rende van zonde naar zonde

Er zijn heel veel mensen die door Gods genade zijn veranderd, maar sommigen van hen hebben een lange weg afgelegd voordat ze het huis van de Vader hebben gevonden. Een van deze mensen is de H. Augustinus. Deze grote zoon van de Kerk leidde vele jaren lang een leven ver van God en de Decaloog. Deze situatie deed zijn moeder, een vrome christelijke vrouw, H. Monica, pijn. Zij hield niet op met bidden en ze smeekte God voortdurend om genade voor haar kind. Ze werd hierbij niet ontmoedigd door de aanhoudende verdorvenheid van Augustinus hoewel niets menselijks erop wees dat hij zijn losbandig leven zou opgeven. En toch raakte de Heer met Zijn barmhartigheid geleidelijk „de verloren zoon” en leidde Hij hem tot bekering. Bovendien werd Augustinus niet alleen gedoopt, maar werd hij in de loop van de tijd bisschop van Hippo. Vandaag wordt hij vereerd als een van de grootste heiligen van de katholieke Kerk.

„Hoe meer de ziel vertrouwt, hoe meer zij zal ontvangen” (Klein Dagboek 1578)

In zijn Belijdenissen zal hij zo zijn leven en Gods werking erin beschrijven: „Ik zat diep in het moeras en de duisternis van leugens. Soms probeerde ik eruit te komen, ik wurmde mij, maar toen ging de modder nog dichter aan mij plakken en viel ik nog dieper terug […]. Ik heb alle wegen bewandeld waar mijn besmette passie me heenleidden. Maar waar ik ook liep in mijn blindheid, Jouw barmhartigheid kwam overal achter me aan! Iedere dag nam mijn ellende toe, iedere dag ook nam jouw zorgzaamheid toe en sluitte deze lief en zacht, dan boos, mijn vluchtroute… Ik rende van zonde naar zonde, maar Jouw barmhartigheid raakte niet op, ging niet van me weg”.

O, hoe dierbaar is Mij jouw ziel

Het verhaal over het leven van de H. Augustinus laat zien dat God de mens nooit vergeet. De Heer Jezus wil elke verstokte zondaar op de weg van de heiligheid brengen, de wanhopige mens hoop geven en de lijdende verlichting brengen. Jammer genoeg lijkt deze waarheid vaak abstract voor mensen die verpletterd zijn door zware zonden en de Kerk en het sacrament van de boetedoening schuwen. Dit is meestal het gevolg van een gebrek aan geloof in de kracht van Gods handelen, in het bijzonder met betrekking tot het eigen leven. Deze mensen leven in de overtuiging dat niets en niemand in staat is hen te bevrijden van het juk van de zonde. Wel, precies Christus – Hij die de hel, de dood en satan heeft overwonnen – heeft de kracht om te genezen. Hij is de eerste om hen die het moeilijk hebben, te ontmoeten (cf. Mat. 9,12). Dit wordt bevestigd door het door de H. Faustina opgetekende gesprek van de Heer Jezus met de zondige ziel:

„– Jezus: Wees niet bang, zondige ziel, van jouw Verlosser, ik kom eerst naar jou toe omdat ik weet dat je zelf niet in staat bent naar Mij toe te komen. Loop niet weg, kind, van je Vader, wees bereid een persoonlijk gesprek aan te gaan met jouw God van barmhartigheid, die zelf aan jou woorden van vergeving wil zeggen en je wil bedelven met Zijn genade. O, hoe dierbaar is Mij jouw ziel. Ik heb je in Mijn handen geschreven en je hebt je met een diepe wonde in Mijn hart gegrift.

– De ziel: Heer, ik hoor Jouw stem die me roept terug te keren van de slechte weg, maar ik heb noch de moed, noch de kracht.

– Jezus: Ik ben jouw kracht, ik zal je kracht geven om te vechten” (Klein Dagboek 1485).

Ik verlang ernaar veel te geven

Opdat God zou kunnen handelen, moet de deur voor Hem op een kier gezet worden, d.w.z. moet men toelaten dat Hij met zijn genade binnenkomt in het leven van de mens. Op welke manier? De zalige priester Michał Sopoćko, biechtvader en geestelijke leider van de H. Faustina, overtuigt ons dat vertrouwen de sleutel is die de deur naar Gods kracht opent. Vertrouwen is de noodzakelijke voorwaarde om Gods barmhartigheid te ontvangen. Vertrouwen – het verwachten van hulp van God dus – geeft moed, kracht, verwijdert verdriet, neerslachtigheid en schenkt ook vrede in de ziel bij het grootste leed en de grootste kwellingen. Op het beeld van de Barmhartige Jezus staat niet zonder reden, in overeenstemming met de instructies van Christus zelf, het opschrift „Jezus, ik vertrouw op Jou” geschilderd. De H. Johannes Paulus II verzekerde ons meermaals van de kracht van dit vertrouwen in de Heer. De zich openbarende Heer zei tot zuster Faustina: „De genade van Mijn barmhartigheid wordt enkel geput op één manier en dit is – met vertrouwen. Hoe meer de ziel vertrouwt, hoe meer zij zal ontvangen. Zielen met grenzeloos vertrouwen zijn een grote troost voor Mij, want deze zielen vervul Ik met alle schatten van Mijn genade. Ik ben blij dat ze veel eisen, want Ik verlang ernaar veel te geven, heel veel. Het doet me echter verdriet als zielen weinig eisen, hun harten vernauwen” (Klein Dagboek 1578).

De plaats van de grootste wonderen

De vertrouwvolle overtuiging dat al onze zonden, zelfs de zwaarste, niet opwegen tegen Gods barmhartigheid, zou in een volgend stadium de stappen van de zondaar naar de biechtstoel moeten leiden. Het sacrament van de verzoening is immers „het tribunaal van Gods barmhartigheid”, de plaats waar God de Heer de grootste wonderen verricht (cf. Klein Dagboek 1448). Men moet aan de priester oprecht al zijn zonden (erkend tijdens een gewetensonderzoek) belijden, er oprecht berouw over hebben, beslissen zich te verbeteren en boete doen. Alle verleidingen in verband met de biecht worden verdreven door het vervolg van de dialoog van de Heer Jezus met de zondige ziel. In het Klein Dagboek lezen we:

„– De ziel: Heer, ik ben er bang voor dat Je zoveel zonden niet zult vergeven, mijn ellende vervult me met angst.

– Jezus: Mijn barmhartigheid is groter dan jouw ellende en die van de hele wereld. Wie heeft Mijn goedheid gemeten? Voor jou ben Ik uit de hemel op de aarde neergedaald, voor jou heb Ik Me aan het kruis laten nagelen, voor jou heb Ik Mijn heilig hart met een lans laten doorsteken en ik heb je de bron van de barmhartigheid geopend; kom en put genade uit deze bron met het vat van vertrouwen. Ik zal een nederig hart nooit verloochenen, jouw ellende is verdronken in de afgrond van Mijn barmhartigheid. Waarom zou je met Mij om jouw ellende moeten twisten? Doe Me een gunst, geef al je armoede en ellende aan Me af en Ik zal je vervullen met de schatten van de genade” (Klein Dagboek 1485).

„Ik ben jouw kracht, ik zal je kracht geven om te vechten” (Klein Dagboek 1485)

Na het ontvangen van de absolutie is het de moeite waard God te danken voor Zijn goedheid en Zijn barmhartigheid te prijzen. Want – zoals de psalmist schrijft: „Barmhartig de Heer en genadig, lankmoedig, rijk aan ontferming; niet zal voor immer Hij twisten, niet blijft voor eeuwig Hij toornen. Niet naar onze schulden behandelt Hij ons, niet naar onze zonden maakt Hij het met ons: zo hoog als de hemel is boven de aarde welft zich zijn genade over wie Hem wil vrezen; zo ver de zonsopgang is van de avond, doet Hij verre van ons hetgeen wij misdeden” (Ps. 103,8-12).