2015-1 Banner geloof Geschiedenis hoofdpagina

Hij zag en hij geloofde

Jezus stierf aan het kruis op vrijdag om 15:00 uur. De joodse heilige dag, de Sabbath, zou drie uur later beginnen. De joodse wet verbiedt het wassen van een stoffelijk overschot op de sabbath. De lichamen van personen die door kruisiging geëxecuteerd waren, moesten bovendien op dezelfde dag begraven worden. Zij mochten niet tijdens de nacht aan het kruis blijven hangen. Toen Jezus stierf bleven er dus maar drie uur over om zijn begrafenis te regelen en uit te voeren.

De begrafenis

Voordat dit gedaan kon worden moest Jozef van Arimathea naar de Vesting van Antonia gaan om daar Pilatus’ toestemming te vragen om zich over Jezus’ lichaam te mogen ontfermen.

Vervolgens moest hij met een Romeinse Centurion terug naar Golgota gaan. De Centurion moest Jezus’ dood bevestigen.

Er zou geen tijd meer zijn om het lichaam te wassen. Dat proces zou te lang duren als het werd uitgevoerd volgens de ingewikkelde regels van de wet. De begrafenis moest plaats vinden voor aanvang van de Sabbath.

Het Evangelie verteld ons dat Jozef van Arimathea hierbij geholpen werd door Nicodemus.

Deze bracht hem ongeveer honderd pond Mirre en Aloë.

Zij namen het lichaam van Christus en wikkelden het in een linnen doek met de kruiden zoals dat wordtgedaan in het Joods begrafenisgebruik. „Dichtbij de plaats waar Jezus gekruisigd werd, lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. Omdat het voor de Joden een voorbereidingsdagwas en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin” (Joh. 19:41-42)

 

De ochtend bij het graf

In de vroege morgen op de eerste dag na de Sabbath (zondag), vernamen de apostelen Petrus en Johannes van Maria Magdalena dat Jezus’ lichaam niet langer in het graf lag.

Beiden renden ze er naar toe, Johannes kwam als eerste aan. Vooroverbuigend, kijkend in het graf zag hij de linnen doeken op de grond liggen, maar hij ging niet naar binnen.
Toen kwam Simon Petrus bij het graf, ging het graf in en zag de doeken en het kleed dat om Jezus’ hoofd gewikkeld was. Het lag niet bij de doeken, maar was opgerold en lag op een andere plaats.

Toen kwam ook Johannes de grot in. „Hij zag het en geloofde” (Joh. 20: 3-8)
Johannes geloofde in de wederopstanding op het moment dat hij de doeken zag waarin Jezus’ lichaam werd gewikkeld. De doeken waren onbeschadigd en de manier waarop ze lagen wees aan dat niemand ze afgewikkeld had en het lichaam had weggenomen, maar dat het lichaam op mysterieuze wijze door het materiaal was gegaan zonder het te beschadigen.

De Evangelisten Matthëus, Marcus en Lucas, vertellen ons dat Jezus’ lichaam werd gewikkeld in een linnen doek (sindon). Lucas zegt dat Petrus „doeken” (othonia) zag in het graf, maar zegt niets over het gezichtsdoek. Johannes daarentegen heeft het over doeken (othonia) en „omslagdoeken” (enteligmenon), die Jezus’ lichaam bedekt hadden.

Nadat het lichaam de opstanding had voltooid en daarmee „door” de doeken heen was gegaan, vielen deze op de grond omdat niets hen meer ondersteunde.

Dus er waren in het graf doeken van een niet uiteengezet gebruik en tevens een gezichtsdoek (in het Grieks: Soudarion).

Volgens de Italiaanse wetenschapper Gino Zanninotti is de Griekse term „Soudarion” afkomstig van het Aramese woord „Sodara”, wat betekent: linnen doek voor verschillende gebruiken en afmetingen. Jezus’ lichaam werd gewikkeld in een doek met een lengte van meer dan 3,5 meter en bijna 1 meter breed.

Deze linnen doek (sodara) bedekte het hoofd en het hele lichaam. De ene helft lag onder het lichaam, terwijl de andere helft het bovenste gedeelte bedekte.Het nu dus geheel bedekte lichaam werd nog eens gebonden met twee stroken doek, die loodrecht over de „sodara” werden gelegd.

Alleen het hoofd en de voeten werden niet door die stroken linnen bedekt.

Het zicht van deze begrafenisdoeken, waaruit het lichaam van Jezus op mysterieuze wijze was „verdwenen” was voor Johannes genoeg om te geloven in de Opstanding, zelfs al had hij de Verrezen Christus nog niet gezien

Nadat het lichaam de opstanding had voltooid en daarmee „door” de doeken heen was gegaan, vielen deze op de grond omdat niets hen meer ondersteunde.

Alleen de „sodara” behield zijn vorm omdat het opgedroogde bloed en zweet het doek stijf hadden gemaakt en ook omdat de „sodara” gescheiden was van de twee loodrecht geplaatste stroken.

Professor Zanninotti’s oordeel over die geheimzinnige zin in Johannes’ berichtgeving over de Opstanding is dus duidelijk, „Simon Petrus ging het graf wél in. Ook hij zag de linnen doeken en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar, apart opgerold, op een andere plaats lag” (Joh. 20:6-7).

Het zicht van deze begrafenisdoeken, waaruit het lichaam van Jezus op mysterieuze wijze was „verdwenen” was voor Johannes genoeg om te geloven in de Opstanding, zelfs al had hij de Verrezen Christus nog niet gezien.