2018-3 geloof hoofdpagina

Ik ben het levende brood (Joh. 6,51)

Uit het Evangelie leren we dat de grootste tegenstand, verontwaardiging en afgrijzen bij Jezus’ toehoorders Zijn onderricht over de Eucharistie opwekte (cf. Joh. 6,22-66).

In de synagoge in Kafarnaüm

Jezus sprak tot de verzamelde Joden in de synagoge in Kafarnaüm voor hen schokkende woorden: „Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld”. De Joden geraakten daarover met elkaar in twist en zeiden: „Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?”. Jezus sprak daarop tot hen: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: »als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem«” (Joh. 6,51-56).

Voor de Joden waren dit schokkende uitspraken; daarom zeiden ze: „Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie kan daar naar luisteren?” (Joh. 6,61). En dan spreekt Jezus de woorden uit die verhelderen hoe men de Eucharistie moet begrijpen: „Neemt gij daar aanstoot aan? Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was…? Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven” (Joh. 6,62-63). De Heer Jezus, die zegt: „Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was…?”, verwijst naar het mysterie van de geestelijke verandering en de verheerlijking van zijn mens-zijn (lichaam en bloed), die zal optreden in Zijn dood, verrijzenis en hemelvaart. Christus maakt Zijn leerlingen duidelijk, dat ze slechts na Zijn dood en opstanding zullen begrijpen wat Hij hen gezegd heeft over Zijn werkelijke aanwezigheid in de eucharistische gedaanten en over de noodzaak Zijn Lichaam te eten en Zijn Bloed te drinken. Op een andere plaats zegt Jezus: „Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben” (Joh. 8,28). Dit betekent: jullie zullen mijn Godheid herkennen. De verheffing wijst op de kruisiging, de omvorming en de verheerlijking van het lichaam van Jezus in de opstanding en de hemelvaart.

De Eucharistie is geen symbool, maar de verrezen Jezus zelf in zijn onzichtbaar, verheerlijkt mens-zijn

We mogen niet vergeten dat Jezus, waarlijk God (de Goddelijke Persoon van het Woord), waarlijk mens werd en (in zijn ware menselijkheid) in de geschiedenis van elke menselijke persoon alle zonden en lijden op zich nam. „Waarlijk, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten, die hij heeft gedragen” (Jes. 53,4). Jezus werd door verschrikkelijk lijden beproefd, veroorzaakt door de zonden van alle mensen, en stierf werkelijk. Maar Zijn dode lichaam werd in de verrijzenis en de hemelvaart verheerlijkt, vergoddelijkt. De H. Paulus schrijft: „Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid; in Christus is de Godheid in heel haar volheid lijfelijk aanwezig” (Kol. 1,19; 2,9). De verrezen Heer overwon de dood en de satan voor goed, vergaf alle zonden van alle mensen en schonk een kans op redding aan ieder mens. Opstijgend naar de hemel beëindigde hij Zijn zichtbare aanwezigheid op aarde. „Het heengaan” van Jezus bij de hemelvaart was tegelijkertijd Zijn komst op een Goddelijke, alomtegenwoordige manier. De H. Paulus schrijft: „Hij die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgestegen hoog boven alle hemelen, om het heelal te vervullen” (Ef. 4,10). Wat gebeurde met het lichaam van Jezus bij de hemelvaart? In het evangelie lezen we: „Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd Hij ten hemel opgenomen en zit aan de rechterhand van God” (Mc. 16,19). De uitdrukking „zit aan de rechterhand van God” betekent dat de hemelvaart de laatste fase is in de verheerlijking van Jezus’ mens-zijn, die het proces voltooit dat een aanvang heeft genomen in de dood en de verrijzenis. De bijbelse beschrijving van de hemelvaart (Hand. 1,9-11) vertelt ons over andere eigenschappen van Jezus’ lichaam ervoor en erna. Het lichaam werd na de hemelvaart aan het oog onttrokken en deelde in de almacht van de Drie-Eenheid, waardoor Jezus Christus in Zijn verheerlijkt mens-zijn alom tegenwoordig is en de Eucharistie mogelijk is. In het sacrament van de Eucharistie geeft Jezus ons voortdurend de mogelijkheid deel te nemen aan het mysterie van Zijn lijden, dood en verrijzenis. Op deze manier verlangt Hij ernaar Zichzelf aan ons te geven in Zijn verheerlijkt mens-zijn, als echt geestelijk voedsel en drank. Hij schenkt ons Zijn liefde en Zijn leven opdat we zouden kunnen delen in Zijn uiteindelijke overwinning op de zonde, de dood, satan en de hel. De Eucharistie is geen symbool, maar de verrezen Jezus zelf in zijn onzichtbaar, verheerlijkt menszijn, die Zichzelf, samen met God de Vader en de H. Geest aan ons geeft en aldus ons het volle geluk schenkt.

„Onder jullie zijn er die niet geloven”

Aan het einde van zijn eucharistische rede zei Jezus tot zijn leerlingen: »Maar er zijn er onder u, die geen geloof hebben«. Jezus wist inderdaad van het begin af aan wie het waren die niet geloofden en wie Hem zouden overleveren” (Joh. 6,64). De apostel Judas geloofde niet wat Jezus zei over de Eucharistie, en juist daarom nam hij dan in de synagoge van Kafarnaüm de beslissing om Hem te verraden. Bij de beëindiging van Zijn eucharistische rede zei de Heer Jezus: „Heb Ik u niet uitgekozen, twaalf in getal? En toch is een van u een duivel” (Joh. 6,70). En de evangelist Johannes besloot als volgt: „Hiermede doelde Hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want deze zou Hem overleveren: een van de twaalf” (Joh. 6,71). Een gelijkaardig verraad zoals Judas begaat een christen die ophoudt te geloven in de werkelijke aanwezigheid van Jezus in de Eucharistie of Hem ontvangt in staat van doodzonde. De H. Johannes- Paulus II waarschuwt ons om nooit de heilige Communie te ontvangen in staat van zware zonde. Hij beroept zich hiervoor op de H. Paulus: „Wij moeten onszelf onderzoeken, voor we van het brood eten en uit de beker drinken” (1 Kor. 11,28). „Ook ik verhef mijn stem, vraag, smeek en bezweer jullie niet tot deze heilige Tafel te naderen met een bevlekt en verdorven geweten. Een dergelijke deelname aan de communie, zelfs als we duizendmaal het Lichaam van de Heer aanraken, zal nooit »communie« kunnen genoemd worden, maar verdoemenis, pijn en vermeerdering van de straffen” (EE 36). Na het plegen van een doodzonde moet men onmiddellijk naar Jezus gaan, die in het boetesacrament alle zonden vergeeft. Een noodzakelijke voorwaarde opdat dit wonder van Gods genade zich zou kunnen voltrekken, is het berouw over de zonden en een radicale breuk met elke zonde en alle omstandigheden die ertoe leiden. Zo sprak de Heer Jezus tot de H. Faustina: „Zielen, die een beroep doen op Mijn Barmhartigheid, bezorgen Mij vreugde. Aan dergelijke zielen verleen ik meer genade dan ze wensen. Ik kan niet iemand straffen, zelfs al is het de grootste zondaar, als die beroep doet op mijn mededogen, maar Ik pleit hem vrij in Mijn diepste en ondoorgrondelijke erbarmen” (Klein Dagboek 1146).

Bron van genezing en spirituele transformatie

De bron van onze grootste vreugde is het feit van de blijvende aanwezigheid van de verrezen Jezus in de Eucharistie. Daarom schrijft de H. Paulus: „Verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u! Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij” (Flp 4, 4-5). Jezus bleef bij ons en staat dicht bij ons – in het sacrament van de Eucharistie. Daar Christus met ons is in de Eucharistie zoals Hijzelf verzekerde: „alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mat. 28,20), dienen we tot Hem te komen, Hem in de Communie te ontvangen en in aanbidding te blijven in Zijn aanwezigheid.

De Heer Jezus verlangt dat we Hem in de Eucharistie al onze moeilijkheden, onze pijn en vreugde afstaan opdat wij zouden toelaten dat Zijn liefde onze gedachten en ons hart geneest en omvormt. Daarom is het nodig naar de H. Mis te gaan en Jezus te ontvangen in de Communie, niet enkel op zondag, maar indien mogelijk, dagelijks. De Eucharistie moet worden voorafgegaan door gebed. Iedere dag moet er tijd gevonden worden voor het rozenkransgebed, voor de aanbidding van het Allerheiligste Sacrament, het lezen van de H. Schrift, voor het Rozenhoedje van de Goddelijke Barmhartigheid. Alleen door een nederig en volhardend gebed zullen we een persoonlijke liefdesrelatie met Jezus tot stand brengen en zal Hij ons langs het eenvoudigste pad naar de hemel leiden.

De Heer Jezus verlangt dat we Hem in de Eucharistie al onze moeilijkheden, onze pijn en vreugde afstaan

Als we onszelf aan Jezus toevertrouwen in het Onbevlekte Hart van Maria, Hem grenzeloos vertrouwen, nooit ontmoedigd geraken, voor alles dankzeggen en met vreugde Zijn wil volbrengen, dan hebben wij de zekerheid van de Heer Jezus: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat gij de Vader ook zult vragen, Hij zal het u geven in mijn Naam. Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in mijn Naam. Vraagt en gij zult verkrijgen, opdat uw vreugde volkomen zij” (Joh. 16,23-24).